Broeder Giovanni: De sprokkelaar van Huijbergen

 

Broeder-Giovanni Huijbergen

"Dit vogeltje," zeg broeder Giovanni, "Vind ik het mooiste stuk uit mijn hele verzameling." Het is een stukje heiwortel, dat zijn vingers vasthouden als een kostbaar kleinood, waar zijn ogen van genieten. Zo maar een stukje wortel van de struikheide, maar niemand zal er iets anders in zien dan een vogel met sierlijk golvende staart, het kopje waakzaam opgeheven en de vleugels gereed om uit te slaan. Vlak ernaast staat een hertje van een kamperfoelie, rank en edel op de hoge poten en met de prachtige lijnen van de fiere hals en het Koninklijke gewei.

"En waar doet dit u aan denken?" vraagt hij en toont een stuk eikewortel met een notedop erop als kop.
"Aan De verwoeste stad van Zadkine."
"We hadden een keer bezoek en daar was ook een dame uit Rotterdam bij. Toen ze dit zag, zei ze dadelijk: "Dat is Jan Gat! Die moet je aan mij geven." Maar ik deed het niet. "Waarom niet?" vroeg ze. "Je vindt zelf wel weer een nieuwe."

Maar dat is niet waar - zo'n zelfde vindt je nooit meer."
Broeder Giovanni is onderwijzer op het instituut van Sainte-Marie in Huijbergen. Op zijn vrije woensdag- en zaterdagmiddagen kuiert hij er door de bossen, op zoek naar sprokkelhout, of hij snuffelt in een of andere oude beukenhaag en als er ergens bomen gerooid worden, wil hij erbij zijn. Hij doet daar wonderlijke vondsten.




kunstwerk van afval hout
hert van boomstronk
"Dat is Jan Gat!" herkende de Rotterdamse bezoekster onmiddelijk de gelijkenis met het beeld van Zadkine. "Die moet je aan mij geven.
Een hertje van een kamperfoeli, rank en edel op de hoge poten en met de prachtige lijnen van de fiere hals en het koninklijke gewei.


Dat is niets nieuws. Waarschijnlijk heeft hij, toen hij als jongen elke zaterdagmiddag een zak hout moest sprokkelen voor zijn moeder, ook weleens gedacht: Hee, dat is net een poppetje! Juist zoals alle kinderen, die weleens ziek in bed gelegen hebben, mannetjes of beesten hebben gezien in het behang of het plafond of de gordijnen. Je moest goed kijken, maar dan zag je het ook duidelijk.
Het heeft geen pretentie. Een collega van ons die eens was uitgenodigd om in te zenden voor een tentoonstelling, bracht in plaats van het schilderij of plastiek, dat verwacht werd, een mooie, grillig gevormde stronk mee, die hij aan het strand gevonden had, op een voetstuk vastgezet en "Abstract gebed" of zo iets genoemd had. Het organiserende comite keek wel even van: "Meen je dat nou of hou je ons voor de gek?", een twijfel die bij het beoordelen van moderne kunst trouwens wel meer voorkomt, maar de inzending werd niettemin aanvaard en zelfs op het tentoonstellingsaffiche afgebeeld.
Het was een prachtig plastiek van moeder natuur, al was het vastschroeven daarvan op een blokje hout natuurlijk geen artistieke scheppingsdaad van enige betekenis.De bemoeienis van broeder Giovanni met het materiaal, dat de natuur hem verschaft, gaat verder: hij breekt het figuurtje, dat hij in zijn sprokkelhout ziet eruit, voegt delen tezamen en maakt uit de gegeven vormen iets, dat er niet was. Op een gedroogde reuzenzwam heeft hij bijvoorbeeld een tak uit een haagbeuk geplaatst met een okkernoot erop en twee gedroogde elfenbankjes aan de omhoogstekende uiteinden.

 

Dat worden met waaiers in haar handen, een figuurtje vol beweging en gratie, al hinderde ons die notendop als hoofdje. Dat had veel beter een beukenknoestje kunnen zijn, gaf broeder Giovanni grif toe, maar die vind je niet gemakkelijk in de passende vorm en afmeting en notendoppen heeft hij natuurlijk volop.
Het mooist zijn de dingen, waart het minst aan is gedaan, en hoe meer huisvlijt eraan te pas gekomen is, des te groter wordt het gevaar, dat de natuur geweld wordt aan gedaan en het opeens helemaal niet mooi meer is. Dat weet broeder Giovanni ook wel, mar u moet dat begrijpen.
Vroeger was het op- zo'n kostschool op woensdag, zaterdag en zondag dikwijls verplicht wandelen, zo van twee tot vijf. Lichaamsbeweging en buitenlucht werden wel noodzakelijk gevonden; je kwam er bovendien de tijd mee door en de jongens werden er moe en, naar men althans hoopte, wat handzamer door. Ze sjokten in een lange rij met de broeder-surveillant erachteraan ion een stofwolk en het viel niet te verwonderen, dat het merendeel aan dit "wandelen" een gruwelijke hekel had.
Dat is er tegenwoordig gelukkig niet meer bij. Wandelen doen de jongens die er zin in hebben, en er wordt het nodige gedaan om hen daarin plezier te laten krijgen en om hen te leren genieten van de natuur. Jongens zijn nu eenmaal jongens en wanneer ze bijvoorbeeld grote zwammen zien staan in het herfstbos, dan is hun eerste opwelling die allemaal kapot te schoppen. Zoals er iemand moet zijn die hen leert naar vogels te luisteren en ze te herkennen of vlinders te verzamelen of bloemen of vissen te houden, zo verzamelt broeder Giovanni met zijn jongens elke herfst een serie paddestoelen om ze in een terrarium of een schooltuintje te zetten, maar vooral om ze te leren onderscheiden en er de schoonheid van te ontdekken.
De paddestoelen die op hout groeien, zoals reuzenzwammen, berkezwammen, elfenbankjes, tolzwammen, dennemoorders en dergelijke, bevatten cellulose en kunnen gedroogd worden: dan verhouten ze.
Die dingen kunnen verrukkelijk van vorm en structuur zijn, maar die jongens nemen daar nog geen genoegen mee. Op die leeftijd ga je nog niet akkoord met een "Abstract gebed" en om een stuk hout of een gedroogde zwam zo maar mooi te kunnen vinden moet je naar hun mening wel een beetje halfzacht zijn.

 

Je moet er een zwartepiet of een Eskimo in kunnen zien, dan krijgt het hun aandacht, of nog beter: je moet er wat mee kunnen doen, iets van kunnen maken.
Wat zou dat zijn? Huisvlijt en knutselwerk zijn ook belangrijk om je handen te leren gebruiken en je te vermaken op regenachtige middagen, zoals er ook in Huijbergen nog weleens zijn. Dan ontstaan er vernuftige bouwsels van acrobaten met notekoppen en eikeldop-alpino's, vogels met kralen oogjes, muzikanten met een uit een schriftkaft gevouwen harmonika. Dan worden de prachtige kappen van gedroogde zwammen tot fruitschaal of kandelaar of zelfs lampekap bestemd, dan doet een berkedraaistam, als standaard gebruikt, eerder aan een meubelonderdeel uit de kitschwinkel denken dan aan het gevecht op leven en dood dat hij voeren moest met de wurgende slingerplant, in de omknelling waarvan hij toch probeerde te groeien.
Maar nogmaals, wat zou dat? Het is beter dan domweg kapot schoppen; met zoeken en drogen en conserveren, met petroleumbaden en bespuitingen tegen de houtworm, met voorlijmen en vernissen leren ze spelenderwijs toch een heleboel aan handvaardigheid en natuurkennis.
Met het zoeken naar vormen en kleuren en structuren wordt toch hun fantasie op gang gebracht, hun gevoel voor schoonheid gewekt. En allicht zullen erbij zijn, die met broeder Giovanni dat kleine vogeltje uit een simpele heiwortel, waar niets aan is bijgeprutst, mooier gaan vinden dan de grootste fruitschaal of schemerlamp en die misschien op de duur helemaal geen namen meer nodig hebben, geen poppetjes of beestje in tak of stronk of zwam behoeven te zoeken om te ontdekken, hoe wondermooi en uniek die kunnen zijn.
Een beuketak op een gedroogde reuzenzwam, twee elfenbankjes en een notedop en nu is het een sierlijk danseresje geworden met waaiers in haar handen, een figuurtje vol beweging en gratie. Alleen die notedop... daar had beter een beukeknoestje kunnen zitten

 

"Broeder, wat zit hierin?" "Een heleboel houtworm, denk ik. Wat zullen we daar een werk aan hebben." Maar daar gaan de jongens niet mee akkoord; ze willen er een struikrover of een toverheks of een everzwijn in ontdekken.

 

<<< Dit is een collega van me, een sprokkelvrouwtje.

Toen ik ze ontdekte, was ze vies, glibberig, groen

en gedeeltelijk vermolmd. Ik heb haar een goed

bad gegeven, met een harde borstel erover, en de

verweerde delen weggesneden

 

 

 

<<< Klik hier om de gehele tekst te downloaden >>>


<<< vorige
Heeft u oude foto's van St Marie ?