-
Kasteel van Halsteren
Verslag van het onderzoek naar de geschiedenis van het Kasteel van Halsteren
Door drs. T.J. Hoekstra
Van 15 juli t/m 17 augustus 1968 is door de N.J.B.G. een onderzoek verricht
naar de overblijfselen van het kasteel van Halsteren (N.Br.), die tegenwoordig
liggen in de buurschap Lepelstraat op het terrein van de heer G. Bogers.
De campagne bestond uit drie delen: van 15 t/m 27 juli is er gegraven door
24 man o.l.v. Dr. J.G.N. Renaud, J. Bouwman en ondergetekende. Van 29 juli
t/m 2 augustus is er door vijf man archief onderzoek gedaan in het Gemeentearchief
van het kasteel. Tenslotte werd er van 5 t/m 17 augustus weer gegraven door
29 man, waarbij de plaats van de heer J. Bouwman werd ingenomen door de
heer F. Roodschild Koning. Er is in het algemeen zo hard gewerkt dat we
ons nu een goed beeld kunnen vormen van het hoofdgebouw van het kasteel.
Het slechte weer, met de daaropvolgende hoge waterstand, vooral in de laatste
dagen van de tweede campagne, maakte het onmogelijk alles tot in de details
te onderzoeken.
Een woord van bijzondere dank moet worden gericht tot de familie Bogers,
die gedurende vijf weken een invasie van kampdeelnemers op zeer gastvrije
wijze heeft doorstaan. Problemen van voedselvoorziening en ziekenverzorging
werden in een handomdraai opgelost.
De gemeentearchivaris van Bergen op Zoom, drs. Van Mosselveld, de onder-archivaris
de heer van Ham, en de heer van Es hebben door hun hulpvaardigheid en paleografische
kennis, vooral van het zestiende-eeuwse schrift, ons grote diensten bewezen
tijdens het archiefonderzoek.
De Rijksdienst voor het Oudheidkundig Bodemonderzoek te Amersfoort maakt
het ons - door het verschaffen van werktuigen zoals schoppen en houwelen
- mogelijk door de puinlagen heen te komen.
Uit de documenten
De gegevens voor de geschiedenis van het kasteen van Halsteren komen bijna
allen uit het Gemeentearchief van Bergen op Zoom. Het oudste stuk dat
we daar over het kasteel vinden dateert van 11 januari 1378: Jan Bode,
Pieter Bootssohne, Amman te Antwerpen (d.w.z. hoge functionaris van de
hertog van Brabant in die plaats) draagt het kasteel van Halsteren op
als open huis aan Heinric van Boutershem, heer van Bergen (op Zoom) en
als diens wettige nakomelingen. Een open huis verdrag houdt ongeveer het
volgende in: de eigenaar van het kasteel (in dit geval Jan Bode) stelt
zijn "huis" open voor zijn landsheer (Heinric van Boutershem),
die er te allen tijde toegang heeft en verblijf mag houden. Belangrijker
is echter dat hij ook gerechtigd is soldaten in het kasteel te legeren
als dat voor de verdediging van zijn gebied noodzakelijk is. Voor ons
onderzoek is dit open huis verdrag in twee opzichten belangrijk: we hoeven
niet voor of onmiddellijk na 1378 naar gegevens omtrent het kasteel te
zoeken in de rekeningen van de heren van Bergen: de eigenaar draagt nog
de volledige kosten van het onderhoud. Het tweede punt is iets positiever:
uit het verdrag blijkt n.l. dat Jan Bode het kasteel via zijn vrouw in
zijn bezit heeft gekregen en dat deze vrouw een dochter was van een zekere
Willem van der Geest. In 1378 moet het kasteel dus al enige tijd bestaan
hebben. Gezien ook de vondsten die bij de opgravingen gedaan zijn lijkt
het waarschijnlijk dat deze Willem van der Geest rond het midden van de
veertiende eeuw het oudste deel van het kasteel, een woontoren, heeft
laten bouwen. Pas in 1451 merken we weer iets van het kasteel. In de rekeningen
van de
FOTO
????
Behorende de welke mijne lieve here van Bergen verkregen heeft",
verkregen n.l. van de weduwe van Wolfert van de Maelstede. In de marge
van deze post staat geschreven dat de koopbrief is opgenomen in de rekening
van 1450 die
verloren is gegaan. Deze verandering van eigenaar
is onmiddellijk merkbaar in de rekeningen: er verschijnen posten omtrent
verbouwingen en onderhoud van het kasteel. In de rekening van 1451 komen
die posten zelfs tamelijk veel voor, en ze zijn van dien aard dat we de
indruk krijgen dat men de laatste hand legt aan een vrij grote verbouwing:
"solder geleet (gelegd) optie eetkamewr ende op te kokene (keuken)
en die venstere te hangen, eene dubbelder dore (deur) an die valbrugge,
steeghers (trappen) in de kokene, beschutsel (afsluiting) in de eetkamere."
Ook de materialen worden verantwoord: "5000 steens" voor het
portaal, "2 driekante ribben (balken) onder die eetkamer geleet,
traphoute ter waarde van 3 schellingen". Voor het "bescutsel"
in de eetkamer en voor het portaal is wagenschot (lange eikenhouten planken
van goede kwaliteit) gebruikt; "2100 voetenboords (planken) dair
die twee sodlere in de kokene endie die eetkamere tot Halsteren mede geleet
sein." En tenslotte "475 blau ende gelb paveisteen (vloertegels),"
vermoedelijk voor de etkamer.
Afbeeldingen
Daar we bij de opgravingen duidelijk twee perioden in de bouw hebben kunnen
onderscheiden lijkt het zeer waarschijnlijk dat we hier met die uitbreiding
van de oorspronkelijke woontoren te doen hebben.
Veel later kan die bebouwing zeker niet plaats gehad hebben, want ook
al vertonen de rekeningen van de heren van Bergen lacunes doordat ze verloren
gegaan zijn, er is een duidelijke aanwijzing dat de oorspronkelijke toren
in 1468 al vergroot was door middel van ombouwing. Uit dat jaar ongeveer
stamt n.l. een kaart van de Schelde, die berust in het Algemeen Rijksarchief
te Brussel. Op deze kaart staan veel steden, kastelen en andere zaken
zeer duidelijk getekend waaronder het kasteel van Halsteren. Op die tekening
is de ombouwing goed te zien: het bovenste, smalle stuk van de oorspronkelijke
toren steekt er boven uit.
Deze zelfde afbeelding laat ons zien dat we het hele kasteel onder handen
hebben gehad. Er stond ook een kapel, die we in de rekeningen eveneens
aantreffen, bijvoorbeeld in 1549 wanneer het grote glas (raam) gerepareerd
wordt. Het derde gebouw dat op de Scheldekaart is afgebeeld lijkt voor
een voorburcht wel wat erg indrukwekkend. Dat er een voorburcht geweest
is blijkt alweer uit de rekeningen: in 1494 is er sprake van de "stal
acent nederhof" en in 1495 "de schuren aant nederhof".
De functie van de voorburcht is wel duidelijk, n.l. een agrarische, en
de plaats er van zou wel eens kunnen overeenkomen met die van de boerderij
van de heer Bogers.
Het laatste bericht dat we in het archief over het kasteel gevonden hebben
is van 6 februari 1572. Het is een gedeeltelijke inventaris van het kasteel
van Halstern opgemaakt in verband met de verbeurdverklaring van de goederen
van de markies van Bergen, die in 1566 samen met Montigny het smeekschrift
der edelen naar Philips II in Sapnje heeft gebracht. Hij is daar gestorven
en vervolgens veroordeeld wegens majesteitsschennis. We komen in die inventaris
nogmaals de kapel tegen, waarin zich een vergulde kelk op een voet bevond
met het wapen van Glymes (de familienaam van de heren van Bergen). Verder
is er sprake van een "salet" waarin zich o.a. een "ledicant,
een lampet met 1 becken en een tinnen pispot" bevindt. "Boven
opte camer" is het andere vertrek dat genoemd wordt.
De gracht
Het zal de lezer opgevallen zijn dat er over een belangrijk onderdeel
van ieder normaal kasteel in een laag land, de gracht n.l. nog niet besproken
is. Hoewel deze, en dankzij naspeuringen bij de opgraving, onvindbaar
bleef is hij in de rekeningen duidelijk aanwezig. Al in de rekeningen
van 1451 is immers sprake van een "valbrugge": dat houdt het
bestaan van een gracht in. In 1471 komen we dan de gracht zelf tegen als
hij geruimd, d.w.z. schoongemaakt, wordt. Deze gracht heeft dicht om het
kasteel heen gelopen getuige een post in de rekening van 1503: "den
hofgracht schoongemaickt ende geruympt vlak om thuijs". In 1494 en
1543 zijn voor dit werk zelfs bootjes aangeschaft: "vander schuyten
te makene om alomme mede in de hofgracht te varen omme alomme te schoeyen
de muren".
Over de bewoners van het kasteel is ons weinig bekend. In 1484 woont er
een 'Kastelein' op het kasteel die het uit naam van de heer van Bergen
beheerd zal hebben. Tien jaar later signaleren we een later beroemd geworden
gast n.l. Desideriu Erasmus. Het schijnt dat hij, logerende op het kasteel,
een boek gescheven heeft: de Anti-Barbari. Misschien heeft tussen 1540
en 1550 Jaqueline van Croy, die dan als markiezin voor haar minderjarige
zoon regeert, veel op Halstern vertoefd. Zij besteedt althans volgens
de rekening uitgebreide aandacht aan de landschapsverfraaiing rondom het
kasteel: tussen 1543 en 1546 worden wel duizend heesters geplant en zeker
honderd olmen, nadat men eerst ongeveer zeventig eiken gekapt had.
Rest ons nog de ondergang van het kasteel te beschrijven alvorens tot
de beschrijving van de opgravingsresultaten over te gaan. Op 17 september
1588 verschenen de troepen van de hertog van Parma tijdens diens campagne
tegen Bergen op Zoom en Tholen voor de poort. Er lag een bezetting van
dertig man uit Tholen, die voornamelijk fungeerde als uitkijkpost, iets
waarvoor het kasteel zeer geschikt was: het lag op een enigszins verhoogde
landtong die ten noorden van Bergen op Zoom in het lagen land uitsteekt.
Deze dertig man bezetting gaven het kasteel zonder slag of stoot over
op voorwaarde van vrije aftocht. Het kasteel was, gezien zijn dunne buitenmuren,
waarschijnlijk niet goed verdedigbaar. In de nacht van 11 op 12 november
staken de troepen van Parma het kasteel in brand, nadat de belegering
van Bergen op Zoom een mislukking was geworden. Sindsdien is het kasteel
een ruïne gebleven die steeds verder in verval raakte. In 1671 heeft
Joshua de Grave er een tekening van gemaakt, waaruit bijzonder weinig
valt op te maken. Op een achtiende-eeuwse polderkaart komt de ruïne
nog voor om dan voorgoed onder de grond te verdwijnen. In 1929 is er,
onder leiding van J.L. Merkelbach van Enkhuizen, een opgraving verricht
die echter geen begrijpelijke resultaten heeft opgeleverd.
Het eerste kasteel: een woontoren
In eerste aanleg bestond het kasteel uit een losse woontoren: we hebben
niet kunnen vaststellen of er in die tijd meer gebouwen gestaan hebben
en of er een voorburcht geweest is. De binnenruimte van de donjon is rechthoekig
en meet 8.80 m x 6.70 m, de W. binnenhoek is echter afgeschuind. De buitenzijde
heeft een uniek kenmerk, tenminste in de Nederlandse kasteelarchitectuur:
de toren is op de vier hoeken gevestigd met overhoekse steunberen. Deze
manier om steunberen aan te brengen treft men regelmatig aan bij kerktorens,
maar bij kasteeltorens is mij niet één voorbeeld bekend.
De buitenwerkse maten van de donjon , zonder de steunberen, zijn 11.50
m x 8.80 m. De muren hebben een gemiddelde dikte van 1.10 m en zijn vervaardigd
van bakstenen met een formaat van 26/27 x 13 x 5. De steunberen varieren
onderling van afmeting. De W. steunbeer vervult kennelijk een bijzondere
functie: hij sluit aan op de afschuining van de W. binnenhoek en is aan
de basis sterk verbreed door een uitspringing aan de Z.W. kant en een
aan de N.W. kant (zie plattegrond tekening). De N.W. verbreding is de
grootste en bevat een privaatkoker (1.10 m x 0.45 m) met een afvoergat
van 14x14 cm, van boven afgedekt met een natuurstenen plaat. Het geheel
vormt één werk. In de basis van deze steunbeer zullen een
wenteltrap en privaten opgenomen geweest zijn.
Hoewel de andere steunberen geen bijzondere functie vervullen zijn hun
afmetingen niet gelijk: de O.Z en W. beer zijn allen 1.90 m breed, de
N. beer echter 2.30 m. Geen der beren staat zuiver overhoeks zodat hun
evenwijdige zijden nooit even lang zijn: ze varieren van 2.50 tot 3 m.
Een andere eigenaardigheid aan de steunberen is het feit dat ze aan de
buitenzijde bekleed zijn met een laag keurig gehouwen ledesteen, dat is
een witte kalkhoudende zandsteen uit Oost-Vlaanderen en Brabant, die bv.
ook gebruikt is aan het Markiezenhof te Bergen op Zoom. De rechte stukken
muur hebben deze bekleding niet en vertonen aan de buitenzijde versnijdingen.
Rondom de gehele toren bevindt zich een pakket uiterst taaie leem van
+_ 30 cm

FOTO FOTO FOTO FOTO
Dikte, die meteen bij de bouw is aangebracht. Deze pakking diende om het
water
ten het gebouw te houden. Daar we de leem ook bij de hoogstbewaarde
muurgedeelten meteen aantreffen, hebben we kennelijk geen opgaande muurwerk
aangetroffen en slechts - gedeeltelijk - de zich in de aanaarding bevindende
kelderverdieping blootgelegd. Het gebouw is bijzonder diep gefundeerd:
op 3.80 m beneden het maaiveld, het diepste punt dat we bereikt hebben,
was nog geen onderkant van de muur te vinden. Het opwellende water belette
ook hier een afsluitend onderzoek. Uit de eerste periode stamt ook de
brede bakstenen trap met houten treden, die in de kelder afdaalt. De vijf
overgebleven treden lopen niet hoog genoeg door om ons uit de kelder te
brengen; veel ruimte om nog recht door te lopen is er evenmin, zodat we
aannemen dat hij een kwartslag naar het N.O. gemaakt heeft, steunend op
de muur di9e ongeveer evenwijdig aan de N.W. muur van de donjon loopt.
Deze muur en zijn dwarsverbinding zijn, evenmin als de trap zelf, in verband
gemetseld met de donjonmuren. Dat de trap en de "steunmuur"
iets met elkaar te maken hebben blijkt uit het feit dat het nog bestaande
deel van de trap met een kwartboog tegen die muur heeft aangestaan; het
gewicht van de trap heeft de muur zelfs enigszins schuin weggedrukt. Het
kwartboogje is door vorige gravers vermoedelijk aangezien voor het begin
van de fameuze onderaardse gang, die met de gouden apostelbeelden tot
de hardnekkigste fabels hoort waarmee een opgraver te maken krijgt.
Het leempakket waarover we zojuist spraken heeft kennelijk niet geheel
voldaan. Aanvankelijk zal de wateroverlast niet erg groot geweest zijn:
we vinden op de oorspronkelijke bodem een ophoging van +_ 30 cm met veel
afval zoals aardewerkscherven, leerfragmenten en zelfs schoenen en turven.
Over deze ophoging heen ligt een leemvloer en nog later heeft men de gehele
kelder dichtgestort met zwarte grond. Tot de glorieuze vondsten uit de
kelder behoort een aardewerken waterkan uit het einde van de 14de of het
begin van de 15de eeuw, die vermoedelijk in Bergen op Zoom gemaakt is.
Door de reeds eerder genoemde barre weersomstandigheden tijdens de laatste
week van de campagne en de daaropvolgende hoge waterstand was het niet
mogelijk de gehele kelder uit te graven.
Na het dichtstorten van de kelder heeft men een bakstenen vloer op de
vulling gelegd. Er zijn echter maar zeer kleine fragmenten van deze vloer
overgebleven, één ervan vertoont zelfs een dubbele laag.
In het profiel is het niveau van deze vloer wel duidelijk waarneembaar
door de laag geel zand die we op de zwarte vulling en onder de bakstenen
vloer gelegd is. Tenslotte treffen we in de kelder het fundament aan van
een muur die de ruimte ongeveer in twee gelijke delen verdeelt. Dit fundament
bestaat uit een mengsel van baksteenpuin en specie, dat gestort is. Op
sommige plaatsen duikt dit fundament naar beneden, zodat er "poten"
(poeren) ontstaan. Uit welke periode van het kasteel de dichtstorting
van de kelder en het zetten van de verdelingsmuur stammen is niet meer
na te gaan.
Het tweede kasteel: een buitenverblijf
Zoals we reeds aangetoond hebben vinden er rond 1450 belangrijke veranderingen
plaats met betrekking tot het kasteel van Halstern: het verwisselt van
eigenaar en er wordt gebouwd. Het kasteel wordt vergroot door middel van
een min of meer trapeziumvormige ombouwing die ook de steunberen omvat.
Dat men zich bij het ontwerpen van deze uitbreiding enigszins misrekent
heeft, vooral in verband met de lengte van de steunberen, blijkt uit het
feit dat een hoek van de W. steunbeer een de muur is opgenomen: op dat
punt vertoont de muur zelfs een knik.
Op het Z.W. deel na verkeert de hele muur in zeer slechte staat: aan de
Z.O. kant is hij zelfs voor een groot deel verdwenen, aan de N.O. zijde
bevindt zich aan de binnenkant een 6 m lange herstelling die verzakking
moest tegengaan. Dat de Z.W. muur zich zo goed gehouden heeft zal we te
danken zijn aan de vier steunberen die daar stevigheid bieden. De enige
herstelling die hier te vinden is wordt gevormd door een klamp van vrij
kleine baksteen (8 x 8 x 4 cm), vermoedelijk de beschoeiing waarvan in
de rekeningen sprake is. De totale omvang van de muren bedraagt 18.25
x 17.40 x 19.50 m: de muren zijn nergens dikker dan 60 cm. Veel defensieve
waarde zal het gebouw niet meer gehad hebben, zeker niet tegen kanonnen.
Dat blijkt ook wel uit de snelle terugtrekking van de bezetting naar Tholen
in 1588. Enige details van dit bouwwerk vragen nog onze aandacht: het
privaat van de donjon is in gebruik gebleven, men heeft door middel van
twee evenwijdige muurtjes de afvoer verlengd. Het afvoergat door de buitenmuur
hebben wij niet teruggevonden, het moet hoger in de muur hebben gezeten.
In de N.O. muur vinden we het enige overblijfsel van een ingangspartij.
Aan de binnenkant van de muur zijn twee verzwaringen die een geheel vormen
met de muur terwijl een uitspringend gedeelte aan de buitenzijde op de
hoeken verstrekt is met zandstenen. Het lijkt niet erg waarschijnlijk
dat we hier met de hoofdingang te doen hebben: de totale breedte van de
verzwaring is 2.20 m. Ook zijn er geen restanten van voorzieningen voor
een brug gevonden die er volgens de rekeningen bij de hoofdingang geweest
moeten zijn.
Onmiddellijk ten Z.O. van deze ingang bevindt zich een halfsteensmuurtje
in hoefijzervorm (zie tekening). De uiteinden staan los van de muur. De
functie van deze constructie is niet duidelijk: voor een put is hij niet
diep genoeg ( +_ 1.80 m onder het maaiveld); het ontbreken van een vloer
en van verbrandingsresten maken het onwaarschijnlijk dat we met een oven
te doen hebben.
Directe gegevens over bewoning van de ruimte tussen donjon en buitenmuur
treffen we aan in de Z. hoek. Daar bevindt zich in de muur een privaatkokertje
van 40 x 50 cm met een schuin naar beneden lopende afvoer. Binnen de muur
vinden we een fragment van een vloer met plavuizen van 23 x 11 x 3 cm.
Op deze plavuizen staat een hoekdeel van een halfsteens muurtje. Ten N.O.
hiervan zijn nog enkele vloerrestanten die echter 1 m hoger liggen dan
de plavuizen. Het is niet goed mogelijk uit deze schaarse gegevens conclusies
te trekken. Veel meer kunnen we te weten komen uit het grote brok puin
dat op de plaats van het verdwenen gedeelte van de Z.O. muur ligt en dat
met grote zorg van zijn omringend puin ontdaan is (zie Fibula X, 1, voorplaat).
Het is door zijn dikte van 1.00 m duidelijk afkomstig van de muur van
de donjon. Het moet op vrij grote hoogte gezeten hebben: er zit een stuk
specie op dat gediend heeft om het lessenaardak, dat de ombouwing van
het kasteel afdekte, aan de donjon vast te smeren. Aan beide zijden van
de muur vinden we stucwerk, wat er op wijst dat hij aan beide kanten binnenmuur
is geweest. Aan de zijde die in de donjon zat springt de muur aan de Z.
kant in, hetgeen op een venster of een muurbank duidt; aan de N. kant
verdikt de muur zich tot 1.25 m over een afstand van 50 cm. Aan de andere
zijde bevinden zich een balkgat en een balksteun (console), die voor de
zoldering en de dakconstructie van de ombouw dienst gedaan hebben. Opvallend
is dat er boven het balkgat en de console geen stucwerk meer voorkomt:
dat deel is kennelijk niet in het zicht geweest.
Samenvattend kunnen we vaststellen dat we ons door de bestudering van
de grondsporen en fundamenten, de rekeningen en andere bonnen en de oude
afbeeldingen een idee hebben kunnen vormen van de ontwikkeling van het
kasteel van Halsteren. Beginnend in de 14de eeuw als een eenvoudige woontoren,
zij het uitzonderlijke steunberen, in het bezit van een plaatselijke man
wordt het eerst open huis van de heren van Bergen en daarna omstreeks
1450 hun volledige eigendom. De nieuwe eigenaar breidt het sterk uit om
er meer comfort te hebben, maar heeft er, voor zover bekend, weinig vertoefd.
Nogal roemloos ging het kasteel in 1588 ten onder om na 380 jaar door
NJBG tot nieuw leven gewekt te worden.
FOTO FOTO FOTO FOTO
|